Steeds vaker duikt de discussie op over het gebruik van gefingeerde namen, pseudoniemen, of, om in internettermen te spreken, de nickname. De discussie richt zich dan steevast tegen de bedieners van zo een nickname en meestal komt het verhaal erop neer dat zij die zich verschuilen achter een gefingeerde naam laffe honden zijn die niet op eigen titel voor hun standpunten zouden durven uitkomen. Natuurlijk zijn er dan mensen die daar tegenin proberen te gaan, bijvoorbeeld door te stellen dat nicknames nu eenmaal bij de aard van het internet horen, enzovoort. Persoonlijk vind ik het geen al te sterk argument, want hoewel het waar is, is dat voor een criticus natuurlijk geen argument om de situatie maar voort te laten duren.
Een sterkere benadering vind ik het de critici te vragen waarom de nicknames hun boosheid zo weten op te roepen. Laten we wel wezen; nicks worden gebruikt in discussies. Wat telt in een discussie is de kwaliteit van het argument. Wat voor Vrouwe Justitia geldt, geldt in grote mate ook voor een discussie op het internet. Of een goed punt wordt binnengebracht door oppergod en allesweter Breedveld, of door een dampende, wat duf uit zijn ogen kijkende drol die midden in de keuken op de vloer ligt te geuren, dat maakt voor de kwaliteit van het argument in principe niets uit. Als de drol mij vertelt dat 2+2 vier is, dan ben ik geneigd die drol eerder serieus te nemen dan Breedveld die maar blijft volhouden dat het correcte antwoord drie moet zijn en dat die vier genoemd wordt door een laffe hond die zich achter een onooglijke naam verschuilt...
Natuurlijk volgt dan altijd weer dezelfde terugtrekkende beweging; dat het niet om de nicks an sich zou gaan maar om zich van nicks bedienende reaguurders die niet lief doen in hun reacties. Wat? Als je iemand met een nick niet terecht kunt wijzen, waarom zou je dat dan wel kunnen wanneer je de NAW gegevens van die persoon naast je toetsenbord hebt liggen? Bovendien, hoe controleer je online iemands ware identiteit? Iedereen kan zich tenslotte voor een Breedveld of stoethaspel uitgeven.
En dan komen we uit bij een cruciaal punt. De mensen die kankeren op nicks willen gewoon hun tegenstanders in het debat monddood kunnen maken. Wanneer dat met argumenten niet werkt, dan willen ze een anderssoortige invloed aan kunnen wenden. Breedveld illustreert dat met graagte, wanneer hij heel branie-achtig verhaalt over een onaangename treinreis waarbij hij erop moest of had willen slaan. Kennelijk vinden dit soort types het heel vervelend dat er mensen zijn die zonder fysieke consequenties kunnen roepen wat ze willen, zonder dat ze daarvoor met gepast geweld tot de orde kunnen worden geroepen. Een vorm van consequentiele intimidatie.
Zolang een reaguurder niets strafbaars doet is er geen enkele aanleiding te twijfelen aan de integriteit van een reactie danwel reaguuder. Net als in de rechtspraak wordt de kwaliteit van een discussie bepaalt door de kwaliteit van de argumenten. En net als dat het voor vrouwe Justitia (over het algemeen) niet nodig is met een scherpe blik te kijken naar de fysieke kwaliteiten van degene die een argument aanbrengt, zo is het voor de deelnemers van een online discussie niet nodig op de hoogte te zijn van elkanders doopceel.
Eisen dat een doopceel algemeen bekend is op de plek waar online gediscussieerd wordt toont, buiten het verbijsterende gebrek aan begrip over hoe het internet in elkaar steekt, mijns inziens, vooral ook aan dat de eiser in casu het achter de ellebogen heeft zitten. Pas wanneer ik door middel van mijn nickname stoethaspel (mijn ouders wilden mij eerst zo noemen maar bedachten later toch iets gepasters) een strafbaar feit bega, dan wordt de identiteit van zo een snoeshaan relevant voor de discussie. Maar met of zonder nickname, voor een strafbaar feit ben en blijf ik hoe dan ook aansprakelijk. Gelukkig draagt vrouwe Justitia dus een blinddoek...
Stoethaspel zou het overigens waarderen als in de toekomst lelijke mensen zouden kunnen worden buitengesloten van online discussies. Niet alleen als ze naaktlopen... |